Aristoteles stelde die vraag al tweeduizend jaar geleden. Zijn visie op moraal heeft talloze denkers beïnvloed. Voor hem was geluk het hoogste doel in het leven. Tot bloei komen door het potentieel dat in je zit te verwezenlijken, was volgens hem de route. Geluk stond voor hem voor gelukt zijn.
Deugdethiek
Om dat te bereiken, heb je deugden nodig. Hij onderscheidde twee soorten deugden die daarvoor nodig zijn. Intellectuele deugden zoals kennis, inzicht en gezond verstand. En karakterdeugden als rechtvaardigheid, moed, zelfbeheersing en wijsheid. Die ontwikkel je tijdens opvoeding en onderwijs. Rolmodellen wijzen je de weg, tot het een gewoonte wordt.
Oordeelvermogen
Oordeelsvermogen is de sleutel: inschatten of je het juiste doet op het juiste moment, de juiste plaats en op de juiste manier. Niet door regels routinematig toe te passen, maar door per situatie nieuwe afwegingen te maken. Elke deugd zit tussen twee uitersten. Een deugd als moed bijvoorbeeld beweegt zich tussen lafheid en roekeloosheid in. Wat het ene moment als laf gezien wordt, kan juist in een ander moment van moed getuigen. Een geoefend oordeelsvermogen helpt je om bij elke situatie de gulden middenweg te vinden.
Moderne tijden
Deugden zijn al eeuwenlang een inspiratiebron in verhalen en kunst. We zien personages met een dilemma, waarbij een deugd op de proef wordt gesteld. Vaak draait het plot om het vinden van de juiste weg. Eind goed, al goed.
In veel moderne verhalen is de context veranderd. We leren hoofdpersonen kennen met een ronduit wankel moreel kompas. Soms zijn ze botweg slecht, toch leven we met ze mee en smullen we van de verdorvenheid van hun karakter. Denk aan Dexter, The Sopranos en – mijn favoriet – Mad Men: ook hier hebben de protagonisten dilemma’s, al bewegen die vooral tussen macht, geld en loyaliteit. De ‘juiste’ weg is inmiddels onbereikbaar.
Misschien is de onderliggende vraag in deze verhalen: als wij ons zo graag inleven in hun worstelingen, wat zegt dat dan over de onze?

