communicatie, tekst, kunstenaar en workshopdocent
  • elsebeth
  • communicatie
  • workshop
    • particulieren
    • organisaties
    • leerkrachten
    • leerlingen
  • kunst
  • blog
  • portfolio
  • Tijdspanne

    Tijdspanne
    Over hoe alles verandert en in een andere vorm terugkeert

    Vorig jaar overleed mijn moeder. Mijn vader leeft al dertig jaar niet meer. Veel vrienden hebben het ook meegemaakt of zitten er nog middenin. De rolverwisseling, ouders die meer zorg nodig hebben, tot het zelfstandig wonen niet meer gaat. Dan de laatste fase waarin ze steeds brozer worden, steeds meer (moeten) loslaten en ze houvast zoeken in het verleden. Toezien hoe onherroepelijk het leven uit ze wegebt. En dan het moment dat onze ouders geen ouderen meer zijn maar uit de tijd zijn gegaan. 

    Gekleurde herinneringen

    Wat blijft zijn de gekleurde herinneringen van ooggetuigen en ervaringsdeskundigen. En de sporen die onze ouders nalieten. De spullen die we hebben verdeeld, de foto’s waarop we niet iedereen herkennen, de gewoontes die we hebben overgenomen en bijgeschaafd, hun uitdrukkingen. Zo vaak voel ik mijn moeder terug in mijn gezicht als ik iets zeg of doe. Of zie ik haar oogopslag bij mijn broers of zussen. De herinnering aan mijn vader is inmiddels vager, sommige trekken zie ik doorschemeren bij mijn zoon en soms vang ik een geur op die hem terugbrengt. Na dertig jaar heeft mijn vaders verhaal steeds meer de omlijsting van een anekdote gekregen, geduid en verpakt. Zo gaat dat dan, zou mijn moeder zeggen. 

    Mijn zoon heeft zijn oma alleen als oudere vrouw gekend. Hij heeft gemist hoe haar ervaringen haar hebben gevormd. Haar tijdspanne met daarin de oorlog, het katholieke gezin waarin ze opgroeide, de tragische dood van haar dienstplichtige broer in Indonesië, de naoorlogse vrijheid van mogen studeren om vervolgens als getrouwde vrouw niet te mogen werken, haar huwelijk met mijn vader, het moederschap, het lege nest… Levensfases vol ervaringen in de periode 1931- 2024. Een leven waarin allerlei ontwikkelingen op het wereldtoneel haar levensloop beïnvloedden. 

    Transitie

    Transitie maakt vanzelfsprekend onderdeel van een levensloop. Het startpunt van mijn moeders leven verschilt hemelsbreed met die van mijn zoon. Zoals haar blik gevormd is door de pijlers van haar tijd, mijn perspectief door mijne, groeit mijn zoon op in een aanmerkelijk andere tijd. Voor hem is het moeilijk voor te stellen hoe haar jonge jaren écht waren. Enkel vergeelde foto’s en een paar voorwerpen die hun functie verloren hebben, herinneren aan het tijdsgewricht van haar generatie. Als mijn moeder vertelde over haar belevenissen, probeerde ze haar jonge jaren weer tot leven te wekken. Maar ondanks de details die ze als ervaringsdeskundige wist te vertellen, had de tijdgeest haar ingehaald. Haar levenservaringen waren uit de tijd, geduid en van context voorzien. Verworden tot anekdotes en verpakt in boeken, terugblikken en analyses.

    Brug

    Op de brug tussen haar tijd en die van mijn zoon sta ik in het midden. Ik kan me nog enigszins inleven in haar tijd. Hoe ze de wederopbouw meemaakte, de bevrijding van nauwe normen, de sociale mobiliteit; ze leefde in een tijd waar alles mogelijk leek. Een stukje daarvan kreeg ik mee, tot de donkere jaren ’80 waarin de contouren van deze tijd zichtbaar werden. Koude oorlog, wapenwedloop, werkeloosheid, Thatcher/Lubbers/Reagan, schoudervullingen en interieurs in de harde kleuren zwart, rood en wit. De intrede van het begrip ‘marktwerking’, waar we nu de gevolgen van ervaren. Een tijdgeest waarin welzijn een equivalent werd van welvaart en consumentisme. Ik kan nog getuigen hoe het hyperkapitalisme vanzelfsprekend werd. Kinderen van nu kennen niet anders. Tijdens de tijdspanne van mijn moeder is de brug vele malen overschilderd, gerenoveerd en inmiddels vervangen.

    Nu ben ik wees en sta ik niet meer in het midden. Mijn tijdslijn schuift gestaag door naar de andere kant van de brug. Daar denk ik daar liever niet aan. Veel vrienden liever ook niet. 

    grafiek

    Deze tekst is onderdeel van mijn maandelijkse nieuwsbrief waarvoor je kunt inschrijven door jouw e-mailadres hier in te vullen.

    elsebeth

    10/06/2025
    erfgoed, mens
  • Otto II van Gelre

    Otto II van Gelre

    Tijd van steden en staten: Arnhem 1000 -1500

    Wie is de baas?

    Tegenwoordig kennen we gemeentes, provincies en landen bestuurd door volksvertegenwoordigers. Deze mensen zijn door de burgers gekozen en mogen beslissen over de manier waarop we met elkaar omgaan. In de middeleeuwen bestond Europa uit een heleboel gewesten. Deze kleine gebieden werden door een landsheer bestuurd. Vaak was zo’n lokale vorst landsheer van meerdere gewesten. In de tijd van steden en staten (1000 -1500) was Arnhem onderdeel van het belangrijke en zelfstandige hertogdom Gelre, een gebied dat meerdere gewesten besloeg in Nederland en Duitsland. De landsheer van dit hertogdom was de hertog van Gelre, hij bezat huizen en land. Boeren mochten het land in bruikleen gebruiken in ruil voor de opbrengst; een klein deel mochten ze zelf houden. 

    De stedenstichter

    Op een binnenmuur van het Duivelshuis staat in het Latijns deze tekst te lezen: 

    “Ik, Otto graaf van Gelre en Zutphen, heb, na vooraf geraadpleegd te hebben mijn vrienden, edelen en dienstmannen, krachtens keizerlijke en koninklijke machtiging en bijzondere vergunning, van het vlek Arnhem een stad gemaakt en daaraan alle vrijheid verleend met ongeschonden bezit van het hare.“
    Ao DOo -13 juli 1233. 

    Op vijftiende jarige leeftijd werd graaf Otto II in 1233 de baas van Gelre. Op 13 juli van dat jaar verleende hij stadsrechten aan Arnhem. Arnhem was niet de enige stad die hij stichtte: in totaal verleende de landsheer aan totaal 29 steden in Gelre stadsrechten. Daaraan dankte Otto de bijnaam ‘Stedenstichter’. 

    Otto de Lamme

    Otto II leefde van 1214 tot 1271. Vanwege een klompvoet had hij nog andere bijnamen: ‘de Lamme’ , ‘de hinkende’ en ‘met de paardenvoet’. Hij liep moeilijk, maar dat weerhield hem niet om mee te doen met allerlei activiteiten die een man van zijn statuur paste. Met de jacht – een bezigheid van vorsten en edelen; met het in die eeuw geliefde steekspel: de tegenpartij met een lange stok van een paard duwen. Of met de oorlogen die tussen de landsheren voortdurend uitbarstten in de honger naar meer land en macht. 

    Handelroutes

    Het gebied waarover Otto II regeerde was als een lappendeken verspreid over vier kwartieren: het Overkwartier langs de Maas bij Roermond, het Betuwekwartier tussen Lek en Waal, het Veluwekwartier met de Nederrijn en het graafschap Zutphen met de rivieren de IJssel en Berkel. Otto II bedacht dat deze rivieren belangrijke handelsroutes zijn. Daarnaast liep de handelsroute tussen Antwerpen en Keulen voor een deel door zijn territorium. Hij probeerde de gebieden aan elkaar te rijgen. Dat deed hij door de handelsreizigers te beschermen maar ook door goed aan hen te verdienen door tol te heffen. De tol- en belastingopbrengsten gebruikte hij om strategisch gelegen grondgebied langs de rivieren aan te kopen want hij wist dat hij door het bezit van alle grond langs de rivieren bijna onbeperkte macht kan uitoefenen. Gelre groeide hierdoor uit tot een groot zelfstandig gewest. 

    Otto was graaf van Gelre van 22 oktober 1229 tot zijn dood in 1271. Hij werd begraven in het klooster ‘s-Gravendaal bij Goch. Maar toen in 1807 de kerk werd afgebroken is zijn stoffelijk overschot met dat van de andere Gelderse vorsten naar Arnhem overgebracht en daar begraven. Waar is onbekend. 

    Bronnen:

    • Ach lieve tijd : 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en … / [onder red. van P.R.A. van Iddekinge … et al./ Uitgeverij Waanders Zwolle 1983
    • De historie van het oude Gelre onder eigen vorsten, (tot 1543) / door G. Prop/ Uitgeverij W.J. Thieme Zutphen, 1963
    • Arnhem : het leven in een middeleeuwse stad / door W. Jappe Alberts / Uitgeverij De Bataafsche Leeuw Dieren, cop. 1983
    • http://arneym.nl/index.html

    elsebeth

    03/03/2020
    erfgoed, onderwijs
  • Avegoor

    Avegoor

    De hel van Ellecom

    Landgoed Avegoor kent een rijke en zelfs koninklijke geschiedenis. Het prachtige landgoed aan de rand van de Veluwe was in bezit van verschillende eigenaren, totdat stadhouder Willem II het in 1648 aankocht. Het bleef tot 1800 in het bezit van de koninklijke familie. Zij gebruikten het landgoed als buitenverblijf voor de traditionele fazanten- en zwijnenjacht. Na de Franse tijd verkochten de Oranjes het landgoed aan de graaf van het naburige Middachten. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was Avegoor een vakantieoord van de Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst. Vandaag de dag is in het landhuis een hotel-restaurant gevestigd. Bij de oprit naar het hotel herinnert de luisterkei van de Liberation Route nog aan het leed dat hier in de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden.

    Toen Nederland nog maar kort bezet was, liet de Duitse bezetter zijn oog vallen op Avegoor. Eind 1940 namen de Duitsers het landgoed met het statige pand in beslag. Ze richtten hier een opleidingskamp in voor de speciale legereenheid ‘Waffen SS’. Duitse en Nederlandse jongens kregen schietles en deden veel aan sport, zodat ze in korte tijd een goede SS-soldaat konden worden. De hoge Duitse officieren namen naast Avegoor ook huizen in beslag en woonden tussen de Ellecommers in.

    In 2005 vroeg de Oranjevereniging Ellecom aan kinderen uit het dorp om mensen die de oorlog als kind hadden meegemaakt te interviewen over hun ervaringen. Dertien Ellecommers vertelden hun verhaal aan de leerlingen van de Anne Frank school. “Al in het begin van de oorlog kregen de bewoners aan de Laan van Avegoor die geen kinderen hadden, de opdracht hun huis te verlaten. Ze moesten maar zien waar ze bleven,” vertelt één van hen. “In het begin mochten we ons niet met die mensen bemoeien.” Maar zoals dat gaat met kinderen: spelen kun je met iedereen, ongeacht taal of afkomst: “Al gauw speelden die kinderen met ons mee en het duurde niet lang of ze spraken netjes Nederlands tegen ons.”

    De SS-studenten woonden in barakken. De kinderen in het dorp zagen de soldaten oefenen op straat. “Ze hadden zwarte halve leren laarzen aan met ijzerbeslag onder de zolen. Dat ketste op de kinderkopjes van de weg.” “Als ze marcheerden liepen ze met zijn vieren naast elkaar en vlak achter elkaar. De rechtervoet van de één werd naast de linkervoet van zijn voorganger gezet. Je zag dan zo’n groen stampend blok over de weg lopen. Dat zag er best rot uit.”

    In het dorp zelf merkten de kinderen weinig van datgene wat er op Avegoor gebeurde. “Als je naar school ging zag je natuurlijk vaak dat gedoe rond Avegoor. Je zag wel officieren met hoge petten en allemaal zilveren dingen aan hun uniform door het dorp lopen. Maar soldaten eigenlijk weinig. Die zwartjassen, die laffe Landwach­ters en al dat andere vreemde spul, dat was veel beroerder.”

    In 1942 wilden de Duitsers op het landgoed een gymzaal bouwen en sportvelden aanleggen. Hiervoor lieten ze gevangengenomen joodse mannen komen. De 139 joodse dwangarbeiders uit Amsterdam, Rotterdam en Den Haag waren met de trein naar Dieren gebracht. Ze wisten niet wat hen te wachten stond. Op het station werden ze opgewacht door SS’ers met een geweer om de schouder. Deze duwden de joodse mannen hardhandig in een bus. Daar werden ze naar een vervallen leegstaand pand in Ellecom gebracht, Huize Irene. Eén van die joodse mannen was Max Deen. Hij vertelde in 2004 – toen hij 84 jaar was –  aan een journalist van De Gelderlander hoe dat ging. “Alles uitpakken en sorteren, de persoonsbewijzen inleveren. Kaalgeschoren werden we, de trap op geknuppeld. Een dag daarvoor zat ik nog in de nestwarmte van mijn ouderlijk huis.”

    Een Ellecommer herinnert zich hoe de joodse mannen ineens in het dorp opdoken: “Plotseling waren ze er, een grote groep kaalgeschoren mannen op klompen met gekke lange jassen aan en een davidsster op de borst. Een stel schreeuwende soldaten er omheen. Ze sjokten de hoofdingang van Avegoor binnen en werden naar het plantsoen gebracht. Daar moest ze ijzeren kiepkarren met zand vullen die dan over het smalspoor door een paard naar boven werden getrokken. Daar werd het paard er afgehaakt, iemand ging achter op zo’n kar staan en dan ging het naar beneden. Met een stuk hout tussen het frame en een wiel kon er geremd worden. De lege karren werden dan weer door paarden naar boven gebracht. Zo werd het glooiende plantsoen in een strak waterpas liggend grasveld veranderd. De grote massa zand werd zo verplaatst naar achter in de Els. Het werd de ondergrond voor de te bouwen turnhal. In nauwelijks drie maanden tijd was al het grondwerk voltooid.” De joodse dwangarbeiders moesten keihard werken, kregen nauwelijks te eten. De SS- studenten treiterden de mannen voortdurend. Als ze niet snel genoeg waren, kregen ze slaag. Max Deen vertelde erover: “Palestina noemde de SS die zolder.” Diezelfde SS liet ze graag heen en weer rennen. “Zolder op, zolder af, bed in, bed uit. Sport machen, noemden ze dat.”  De SS’ers pesten de joodse mannen door het zware werk dat ze hadden gedaan weer ongedaan te maken. Ze keken toe hoe de dorstige en hongerige mannen werkten terwijl ze zelf gebakjes aten en bier dronken. Al snel waren de joodse arbeiders uitgeput en uitgemergeld. Max Deen: “Na zes weken viel de eerste dode en waren er 36 mannen doodziek.”

    Iedere dag moesten de joodse mannen van hun slaapplaats naar het landgoed lopen. De Duitsers wilden niet dat de mensen in het dorp zagen hoe ze met deze mannen omgingen. Dus moesten de Ellecommers de gordijnen dicht doen als de afgepeigerde mannen voorbijkwamen. Maar toch vingen de Ellecommers wel eens een glimp op. “Tussen lege kisten door die bij Brinkhorst de groenteboer voor de deur stonden, zag ik ze voorbij sjokken. Ouwe gebogen mannen. Het was een naar gezicht. Maar veel erger waren die bewakers. Zij schreeuw­den. Ik kon ze niet verstaan. Maar ze schreeuwden. Ze schreeuwden tegen die mensen. Die bewakers hadden bolle koppen met een helm er omheen. En een geweer met een bajonet. En ze schreeuwden maar. En die mensen sjokten maar door. Op klompen. Gebogen. Met hun armen bungelend langs hun grijze jas.”

    “De weg werd afgezet en de mensen werden naar binnen gejaagd als de dwangarbeiders ’s morgen en ’s avonds over de straat moesten. Wie niet goed mee kon werd met knuppelslagen tot spoed gemaand. Een meisje op school, ik geloof Lies Hofman, kwam volledig overstuur op school toen ze gezien had hoe één van die mensen werd neergeknuppeld.”

    Dat mensen zo wreed konden zijn was voor de Ellecomse kinderen niet te behappen. “Met de komst van de joden vielen wij met een geweldige klap in een wereld die ons totaal onbekend was. Thuis moesten de gordijnen dicht en in stomme verbazing stond ik daar tussendoor te gluren naar wat zich buiten afspeelde.”

    Het bestaan van concentratiekampen, van martelingen, van Jodenvervolging, laat staan van gaskamers en massa-executies was ons volkomen onbekend. Ook onze ouders hadden daar geen flauw idee van. Anders hadden we er in een onbewaakt ogenblik wel eens over horen praten.”

    “Het kan niet waar zijn dat die bewakers ooit een moeder gehad hebben, zei mijn oma. Daar heb ik toen als kind vaak over nagedacht. Zouden ze in Duitsland iets hebben waar zulke wezens uit tevoorschijn kwamen? Een enge grot of een griezelig beest of zoiets.”

    Drie joodse mannen zijn in Ellecom overleden, vermoedelijk door uitputting, mishandeling en uithongering. Jacob de Lion, Alfred Tuvij en Meier Groot zijn door de Duitsers – uit het zicht voor de dorpsbewoners- begraven op de Bijzondere Begraafplaats Ellecom. Het hoofd van de school aan de Zutphensestraat hield bij één van de begrafenissen de leerlingen binnen, maar liet hen op tafels staan, zodat ze de stoet langs konden zien komen. De Duitsers ontdekten dat. “Niet lang daarna kwam een stel Duitse soldaten de schoolgang binnenstampen en werd de meester meegenomen. De volgende dag stond hij weer voor de klas. Ik heb er nooit een woord van hem over gehoord.”

    Na drie maanden zat het werk van de joodse dwangarbeiders erop. Max Deen: “Met een gemiddeld gewicht van 35 kilo werden we na elf weken op transport naar Westerbork gesteld.” Daarna werden de mannen naar een vernietigingskamp in Duitsland gebracht waar de meeste mannen alsnog zijn vermoord. In totaal hebben slechts 33 van 139 mannen de oorlog overleefd.

    Na de oorlog kwamen de joodse mannen die de oorlog hadden overleefd regelmatig terug naar het dorp om hun vrienden te herdenken. In 1948 legden de Ellecommers samen met een aantal overlevenden een herdenkingssteen over de graven van de drie overleden mannen. In 1989 maakte de Ellecomse beeldhouwer Harry de Leeuw het Joods Monument Ellecom. Dit staat bij Huize Irene.

    Max Deen kwam in 2004 terug op de zolder van Huize Irene waar hij en zijn 138 kameraden in de oorlog overnachtten. “Verdriet voel ik hier. Maar ik ben ook blij, omdat jullie me omgeven met liefde.


    Foto: Monument ter herinnering aan de joden die hier geleden hebben en de drie mannen die gestorven zijn. Ontworpen door Harry de Leeuw. Dit artikel heb ik geschreven voor de lesbrief Avegoor bij de Liberation Route.

    Bronnen:

    • Terugblik ’40-’45, maandblad van de documentatiegroep ’40-’45, 46e jaargang nr. 9
    • De Gelderlander van 15-10-2004, ‘Erger dan Ellecom kon de hel op aarde niet zijn’, Harry van der Ploeg
    • Ellecommers in de oorlog, uitgave van Oranjevereniging Ellecom, 2005

    elsebeth

    05/02/2019
    erfgoed, mens, onderwijs
    erfgoed, onderwijs, taal, WOII
  • Opgroeien

    Opgroeien

    Elke dag was het vijftien kilometer heen en terug. Strakke benen kregen we van dat gefiets. Het geluid van onze hoge stemmen reikte tot waar de weilanden de horizon raakten.

    De soul van Stevie Wonder- Songs in the Key of Live- was favoriet. Maar vooral de stem van Philip Bailey van Earth, Wind and Fire kreeg navolging. We bezongen stille en rumoerige liefdes:  ‘Tempory is rising, I don’t wanna fê-ie-êl. Uh. Kissing and hugging and holding you tîght. Woaah. Reasons, the reasons that we he-a-er. The reasons that we fear. Ooowohhh. Be-a-ebie’. En met de ijle kitsch van Deniece Williams – ‘I just want to be frêê. Frieeeee’ – lieten we de bedompte sfeer van school mijlenver achter ons.

    We fietsten naar de thee met koekjes bij een van ons thuis. Thuiskomen betekende overal wat anders. Bij de ene vriendin veerde een eenzame moeder op bij eindelijk wat leven in huis. Bij een andere maakten we popcorn en vertrokken we zo gauw het kon naar boven om in een felgekleurde kamer bij het open raam te roken. Snelle, stiekeme hijsen van dungedraaide shaggies van Samson of Drum.

    In die tienerkamers luisterden we naar Adam Curry en bandjes van Ferry Maats Soul Show. We begrepen elkaar als we klaagden over familie, discussieerden over abortus en kernwapens en giechelden over jongens en alles wat daarbij komt kijken.

    foto: dubbelalbum van Stevie Wonder uit 1976.

    (In april krijgt Stevie Wonder de Key of life award. Deze oeuvreprijs krijgt hij van de American Society of Composers, Authors and Publishers (ASCAP))

    elsebeth

    16/03/2017
    erfgoed, kunst, taal, verbeelding
  • H.N. Werkman

    H.N. Werkman

    Op 10 april 1945, drie dagen voor de bevrijding van Noord-Nederland, werd Hendrik Nicolaas Werkman geëxecuteerd door de Duitsers. Werkman had vanaf 1923 een kleine uitgeverij waarin hij zijn ‘druksels’ fabriceerde. Hij hanteerde de roller als een schilderskwast en experimenteerde met druktechnieken. De letters en cijfers uit de letterbak en eenvoudige uit karton uitgesneden vormen gebruikte hij als sjablonen voor zijn werkstukken. Met zijn unieke stijl hoorde Werkman nergens bij, al had hij zich wel aangesloten bij de Groningse kunstenaarsgroep ‘De Ploeg’. Ten tijde van de Duitse bezetting richtte hij de uitgeverij de Blauwe Schuit op. Onder deze naam gaf hij clandestien veertig druksels uit waaronder de Chassidische legenden, prenten gebaseerd op joodse verhalen. Dit was zijn vorm van verzet tegen het nazibewind. Wellicht was dit de aanleiding voor de onterechte arrestatie en zijn dood voor het vuurpeloton.

    elsebeth

    06/10/2016
    erfgoed, kunst
    erfgoed, kunst
  • 1973

    1973

    Vakantieherinneringen

    Ons zomerhuisje was een verbouwd kippenhok achter op het erf van oom Jan. Het blonk uit in eenvoud. Iedere zomervakantie vertrok mijn moeder met haar zeven kinderen en onze hond Tobias naar Brabant. Mijn vader bleef thuis want hij werkte de zomer door. Het huisje bestond uit vijf even grote kamers die een zomervakantie lang onderdak gaven aan ons gezin.

    De keuken met zwart-wit vinyl waarop we hink-stap-sprongen, een grammofoon waarop we reclameplaatjes draaiden van Biotex. Er stond een zwarte tafel met aan de ene kant een lange zwarte bank en aan de andere kant gekleurde krukken. Iedere ochtend haalde ik bij mijn tante verse melk. De rauwe vette melk, nog lauw, moesten we eerst koken. Alle kinderen maakten zelf hun ontbijt; alles kon, zolang het maar pap was. Pap met beschuit, met brood, griesmeel, cornflakes of lammetjespap (met suiker en maïzena).

    Achter de keuken lag de zitkamer met muffe sisalmatten en een kleine zwart-wit-tv. Op de strakke esthetische verantwoorde ‘less is more’ designbank die – ‘Het kreng kost godverdomme een vermogen, waarom kun je er dan niet op zitten?’- naar het zomerhuisje was gedegradeerd, keek ik op regenachtige dagen naar oude films. Ik hield van de niet erg knappe maar oh zo Engelse gentleman David Niven en wilde later net zo’n gedistingeerde man maar dan wel één zonder snor. Of ik keek naar de zoveelste herhaling van ‘Dr. Doolittle’ of ‘Een reis om de wereld in tachtig dagen’. De kleuren fantaseerde ik er zelf bij.

    Links langs de kamers lag een lange betegelde gang. Elke ochtend schrokken je voeten wakker op de ijskoude vloer. Er waren twee slaapkamers voor de kinderen. De rode kamer voor de meisjes had twee stapelbedden, de verdeling was al bepaald, het kwam er op neer dat ik als jongste onderop lag en meeschudde met de zus boven mij. Omdat de groene kamer voor de jongens slechts één stapelbed had, begon de vakantie in die kamer steevast met een ruzie over wie er op het gewone bed mocht slapen.

    De gang had één lange kast die voor mij schatten verborg. Ieder jaar was het spannend welke kleren dit jaar jou pasten, welke T-shirtjes je nu ging dragen en wat er lag wat je allang vergeten was en wat daarmee de glans van een nieuwe set kleren kreeg.

    Maar natuurlijk waren we het meest buiten. We raceten op gammele oude fietsen met banden die ieder jaar opnieuw geplakt moesten. Links naast het huisje lag een grote zandbak, rechts naast het huisje de tuin met een altijd zwangere pruimenboom. Ook het boerenerf bood veel. In de schuren volgeladen met hooi leefden klittende en stinkende boerderijkatten die elk jaar een nieuw nestje hadden. Om het erf graasden weilanden lang koeien die als ze me aankeken, me vulden met melancholie.

    De vakanties hadden een vertrouwd ritme van terugkerende dingen maar omdat mijn perspectief ieder jaar een jaar opschoof, beleefde ik telkens weer een vakantielange ontdekkingstocht.

    elsebeth

    06/10/2016
    erfgoed
    taal

contact

bel, app of schrijf

06 50 83 42 51

post [at] elsebethhoeven.nl

Pontanuslaan 68 Arnhem

socials

linkedin
instagram
substack
© 2025 | elsebeth hoeven – tekst & beeld