communicatie, tekst, kunstenaar en workshopdocent
  • elsebeth
  • kunst
  • workshop
  • communicatie
  • blog
  • Phi pffff

    Phi pffff

    Als het angstzweet je vroeger uitbrak bij de wiskundeles en sindsdien al jouw poortjes zich direct sluiten als er een wiskundige formule voorbijkomt, geef ik je een waarschuwing vooraf. Het organisatiesysteem dat ik beschrijf is door wiskundigen beschreven en uitgerekend. Wat blijkt: wiskunde staat helemaal niet ver van je af en is letterlijk in en om je heen te vinden. Sterker nog, in de natuur barst het van systemen die op het eerste gezicht niets met elkaar gemeen lijken te hebben maar toch eenzelfde logica hebben. Mensen gebruiken deze patronen als leidraad en zetten ze in om allerlei vraagstukken op te lossen. 

    FIBONACCI-REEKS

    Een van de bekendste is deze reeks getallen: 0-1-1-2-3-5-8-13-21-34-55-89- et cetera. In de dertiende eeuw beschreef Fibonacci, een Italiaans wiskundige, deze ogenschijnlijk willekeurige ordening. Je vindt het terug in allerlei biologische systemen: in hoe planten en diersoorten groeien; hoe de blaadjes van een varen zich ontvouwen; hoe een bijenpopulatie groeit; in de structuur van een dennenappel en ga zo maar door. Deze rangschikking is evolutionair bijzonder succesvol.

    A+B=C | B+C=D | C+D=E | ET CETERA 

    Mensen passen deze reeks op allerlei manieren toe, bijvoorbeeld bij voorspellingen van economische trends of bevolkingsgroei. Het cijfert als volgt: als je de twee opvolgende getallen bij elkaar optelt, krijg je het volgende getal. En er is meer: als je een getal deelt door het voorgaande getal is de uitkomst ongeveer (de natuur voelt zich kennelijk meer thuis bij de rekkelijken dan de preciezen) 1,618…, dit getal wordt aangeduid met de Griekse letter phi (p).

    GULDEN SNEDE A + B STAAT TOT A ALS A STAAT TOT B 

    Omdat phi op zoveel plekken terug te zien is, zagen sommigen er het oog van God in – het gulden getal. Phi is ook de verhouding van de gulden snede, de Griek Euclides beschreef deze berekening zo’n driehonderd jaar voor Christus in zijn Elementen. Al eeuwenlang passen kunstenaars – waaronder Leonardo da Vinci – en ontwerpers deze verhouding toe in hun werk, je vindt de maatvoering terug in Romeinse gebouwen tot in de console van PlayStation.

    Hoe zit de gulden snede in elkaar? Als de korte zijde 1 is, is de lange kant 1 x phi. Een rechthoek uit de gulden snede is op te bouwen uit vierkanten waarvan de afmetingen van de vier zijden zijn als de opeenvolgende getallen van de Fibonacci-reeks. 

    MENSELIJKE VERHOUDINGEN

    De esthetiek van de gulden snede klopt voor mensen intuïtief. Niet zo gek als je je bedenkt dat je het overal om je heen terugziet. In planten, dieren en zelfs de verhoudingen in het menselijk lichaam komen aardig overeen met de gulden snede. Meet bijvoorbeeld de lengte en de breedte van jouw hoofd. Waarschijnlijk benadert dit de verhouding 1 staat tot 1,618 (denk rekkelijk). Of meet de verhoudingen in je armen: hand-onderarm-bovenarm: hoe verhouden die zich tot elkaar? Dikke kans dat je jezelf weet terug te brengen tot een fijne rekensom. Joh, wij, de dieren en planten hebben zoveel meer gemeen dan je denkt. Dat schept wat mij betreft wat perspectief op het grote geheel. Kortom, wiskunde oninteressant? 

    elsebeth

    14/06/2024
    column, kunst, onderwijs
    column, kunst, onderwijs
  • Handelingsonbekwaam

    Handelingsonbekwaam
    Wanneer is het de verkeerde kant opgegaan? Was het toen de dienstensector groter werd? Heeft het te maken met het neoliberalisme? Of werd het zaadje eerder gelegd tijdens de christen en sociaal democratie, de tijd waarin langzaam maar zeker het werkwoord ‘besturen’ meer ruimte kreeg dan ‘doen’? Feit is dat onze samenleving lijdt aan handelingsonbekwaamheid.

    Moderne fabriek

    Met de schaalvergroting van organisaties (want ooh zo efficiënt) ontstonden er allerlei extra bestuurslagen, bedacht door bestuurders die denken dat je enkel door te besturen de wereld draaiende houdt. Want dat is wat zíj graag doen, het is een kwestie van perspectief. Scholen, ziekenhuizen, gemeentes en andere organisaties kregen er een hoop leidinggevenden bij, die allemaal wat te managen wilden. Gevolg is dat steeds meer werknemers gebukt gaan onder het juk van de bestuurder die ijverig nieuwe procedures en mallen bedenkt waarin de door hem bestuurde mens zich moet voegen. Want is de gedachte, de werknemer is een machine met knopjes en hendels: de kantoortuin is een moderne fabriek. Ondertussen moet er van alles gemeten en bijgesteld. De administratieve last is enorm.

    Denken én doen

    In organisaties is denken en doen steeds verder uit elkaar gegroeid. Je hebt de mensen die mogen nadenken over hoe je iets doet en de mensen die handen en voeten moeten geven aan dat wat anderen hebben bedacht. Gaandeweg kregen zij die denken én doen steeds minder ruimte. Dit zijn de mensen die op een zeker abstract niveau met enig overzicht kunnen denken en die visie, idee en plan ook daadwerkelijk in handelen omzetten. Een vanzelfsprekend handelen dat voortvloeit uit kennis en kunde. Gaandeweg is de bewegingsruimte van leraren, verplegers, artsen en al die andere slimme doeners behoorlijk ingeperkt.

    Van deze groep is de autonomie afgepakt. Zij moeten zich voegen in steeds weer nieuwe regeltjes en rapportages en luisteren naar managers die meer verdienen en minder weten. Al is het verschil in inkomen waarschijnlijk niet eens het grootste pijnpunt. Echt wrang is dat de bedenkers van weer een nieuw protocol zich niet bewust zijn hoeveel wantrouwen hieruit spreekt tegenover mensen die heus zelf weten hoe ze hun eigen vak goed moeten uitoefenen. Niet voor niets zijn managers de meest gehate collega’s.

    Het marginaliseren van de slimme doeners heeft grote gevolgen voor onze samenleving, het is funest kun je rustig stellen. Bij deze beroepskrachten is niet alleen de autonomie afgepakt, ook kreeg hun vak minder status en is hun inkomen ergens blijven steken. Hierdoor kiezen steeds minder mensen voor dit werk, gaan ze liever wat anders doen en komen we ze nu te kort.

    Zet daarbij de trend dat academici het werk doen dat een hbo-er eerder deed, waardoor slimme doeners nog meer op een zijspoor zijn beland. Steeds meer mensen kiezen voor een universitaire studie. Niet voor niets, het geeft de meeste kans op een baan waarin je autonomie behoudt. Stilaan zijn academici overal.

    Rookgordijn

    Onderzoeken is het nieuwe doen. Een academicus leert heel wat, maar snel handelen staat niet per se bovenaan het lijstje. Je kunt je bij heel wat banen afvragen of op die plek een academicus de beste keuze is. Toetsen, monitoren en theorieën in modellen, procedures of adviezen vatten: dat kun je rustig aan ze overlaten, maar er komt maar weinig concreets uit de handen. Wel zijn er veel commissies die onderzoek doen naar prangende kwesties. En dat blijkt – ook voor de politiek- een handig middel om verantwoordelijkheid te spreiden, uit te stellen en vervolgens af te stellen.

    Zo is het zover gekomen dat onze samenleving lijdt aan handelingsonbekwaamheid. En dat het kan gebeuren dat er – onderzoek na onderzoek – nooit wat wordt aangepakt. Ondanks de aanwezigheid van bruisende ideeën en daadkrachtige creativiteit van al die slimme doeners die popelen om gewoon te doen waar zij goed in zijn.

    elsebeth

    04/05/2022
    maatschappij, onderwijs
  • Otto II van Gelre

    Otto II van Gelre

    Tijd van steden en staten: Arnhem 1000 -1500

    Wie is de baas?

    Tegenwoordig kennen we gemeentes, provincies en landen bestuurd door volksvertegenwoordigers. Deze mensen zijn door de burgers gekozen en mogen beslissen over de manier waarop we met elkaar omgaan. In de middeleeuwen bestond Europa uit een heleboel gewesten. Deze kleine gebieden werden door een landsheer bestuurd. Vaak was zo’n lokale vorst landsheer van meerdere gewesten. In de tijd van steden en staten (1000 -1500) was Arnhem onderdeel van het belangrijke en zelfstandige hertogdom Gelre, een gebied dat meerdere gewesten besloeg in Nederland en Duitsland. De landsheer van dit hertogdom was de hertog van Gelre, hij bezat huizen en land. Boeren mochten het land in bruikleen gebruiken in ruil voor de opbrengst; een klein deel mochten ze zelf houden. 

    De stedenstichter

    Op een binnenmuur van het Duivelshuis staat in het Latijns deze tekst te lezen: 

    “Ik, Otto graaf van Gelre en Zutphen, heb, na vooraf geraadpleegd te hebben mijn vrienden, edelen en dienstmannen, krachtens keizerlijke en koninklijke machtiging en bijzondere vergunning, van het vlek Arnhem een stad gemaakt en daaraan alle vrijheid verleend met ongeschonden bezit van het hare.“
    Ao DOo -13 juli 1233. 

    Op vijftiende jarige leeftijd werd graaf Otto II in 1233 de baas van Gelre. Op 13 juli van dat jaar verleende hij stadsrechten aan Arnhem. Arnhem was niet de enige stad die hij stichtte: in totaal verleende de landsheer aan totaal 29 steden in Gelre stadsrechten. Daaraan dankte Otto de bijnaam ‘Stedenstichter’. 

    Otto de Lamme

    Otto II leefde van 1214 tot 1271. Vanwege een klompvoet had hij nog andere bijnamen: ‘de Lamme’ , ‘de hinkende’ en ‘met de paardenvoet’. Hij liep moeilijk, maar dat weerhield hem niet om mee te doen met allerlei activiteiten die een man van zijn statuur paste. Met de jacht – een bezigheid van vorsten en edelen; met het in die eeuw geliefde steekspel: de tegenpartij met een lange stok van een paard duwen. Of met de oorlogen die tussen de landsheren voortdurend uitbarstten in de honger naar meer land en macht. 

    Handelroutes

    Het gebied waarover Otto II regeerde was als een lappendeken verspreid over vier kwartieren: het Overkwartier langs de Maas bij Roermond, het Betuwekwartier tussen Lek en Waal, het Veluwekwartier met de Nederrijn en het graafschap Zutphen met de rivieren de IJssel en Berkel. Otto II bedacht dat deze rivieren belangrijke handelsroutes zijn. Daarnaast liep de handelsroute tussen Antwerpen en Keulen voor een deel door zijn territorium. Hij probeerde de gebieden aan elkaar te rijgen. Dat deed hij door de handelsreizigers te beschermen maar ook door goed aan hen te verdienen door tol te heffen. De tol- en belastingopbrengsten gebruikte hij om strategisch gelegen grondgebied langs de rivieren aan te kopen want hij wist dat hij door het bezit van alle grond langs de rivieren bijna onbeperkte macht kan uitoefenen. Gelre groeide hierdoor uit tot een groot zelfstandig gewest. 

    Otto was graaf van Gelre van 22 oktober 1229 tot zijn dood in 1271. Hij werd begraven in het klooster ‘s-Gravendaal bij Goch. Maar toen in 1807 de kerk werd afgebroken is zijn stoffelijk overschot met dat van de andere Gelderse vorsten naar Arnhem overgebracht en daar begraven. Waar is onbekend. 

    Bronnen:

    • Ach lieve tijd : 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en … / [onder red. van P.R.A. van Iddekinge … et al./ Uitgeverij Waanders Zwolle 1983
    • De historie van het oude Gelre onder eigen vorsten, (tot 1543) / door G. Prop/ Uitgeverij W.J. Thieme Zutphen, 1963
    • Arnhem : het leven in een middeleeuwse stad / door W. Jappe Alberts / Uitgeverij De Bataafsche Leeuw Dieren, cop. 1983
    • http://arneym.nl/index.html

    elsebeth

    03/03/2020
    erfgoed, onderwijs
  • Krantenbericht

    Krantenbericht

    De burgemeester staat in de krant.
    Zij heeft een taartje in de hand.
    Mevrouw staat op hoge hakken in een wei,
    met een paar geiten zij aan zij.

    Achter een sierlijk wapperend lint,
    naast een verlegen lachend kind,
    poseert de deftige dame welopgevoed,
    in zomerse jurk en strooien hoed.

    Huppelend op één been – strik in het haar -,
    geeft het meisje de vrouw een lange schaar.
    Als mevrouw op het punt van knippen staat,
    heeft de fotograaf zijn camera paraat.

    Dan ziet de klas van meester Rik,
    met open mond en verschrikte blik,
    hoe een knobbelgans met overmoed
    landt op burgemeesters zomerhoed.

    Met bolle buik, in zomerbries,
    pikt de gulzige gans heel precies,
    het gebakje uit haar achtbare hand.
    Zo staat de burgemeester in de krant.

    Zo staat de burgemeester in de krant.

    elsebeth

    16/04/2019
    kunst, onderwijs, taal, verbeelding
  • Hoogbegaafd

    Hoogbegaafd

    Ben je een ouder van of werk je met hoogbegaafde kinderen? In dit artikel geef ik een samenvatting van wat de huidige wetenschap verstaat onder hoogbegaafdheid en welke factoren volgens onderzoekers meespelen bij de ontwikkeling van hoogbegaafd talent.

    Intelligent

    Hoogbegaafde mensen hebben een hoge intelligentie. Maar als we het over intelligentie hebben, waar hebben we het dan over? Een intelligentietest gaat ervanuit dat intelligentie het vermogen is om eerder opgedane kennis op te halen en toe te passen en hoe snel je logische verbanden kunt leggen met nieuw aangeboden informatie. De intelligentie wordt in een quotiënt gevat: het IQ (intelligentie-quotiënt). Het gemiddelde IQ van mensen is 100, dat is het gemeten gemiddelde van een normgroep (de meeste mensen). Scoor je 110 punten dan is jouw intelligentie 10 punten hoger ten opzichte van de normgroep. Dat gemiddelde van de normgroep is niet altijd hetzelfde. Als iemand 50 jaar geleden tijdens een test een IQ had van 100 zou hij nu veel hoger of lager kunnen scoren terwijl er niets aan zijn intelligentie is verandert. De normgroep van 50 jaar geleden was namelijk een andere. Verder is een IQ-test een momentopname. Als je je dag niet hebt of faalangst hebt, is de kans groot dat je een lagere score haalt. Een goede tester houdt hier rekening mee.

    Efficiënte hersenen

    Met een IQ hoger dan 130 val je in de groep hoogintelligenten of hoogbegaafden. Als je over een hoge intelligentie beschikt, is de kans dus groot dat je moeilijke concepten kunt begrijpen en dat je een snelle denker bent. Ook het talent om verbanden te leggen tussen verschillende soorten informatie hoort hierbij. Wetenschappers denken dat een hoog IQ te maken heeft hoe efficiënt de hersenen werken. De bedrading in het hoofd (het neurale netwerk) zorgt ervoor dat je gegevens uit verschillende plekken combineert en hierop associeert. Bij een hoge intelligentie werkt dit systeem erg doelmatig waardoor je informatie handig opslaat en gegevens onderling makkelijk combineert en associeert.

    Anders denken

    Betekent hoogbegaafd zijn alleen dat je intelligenter bent dan gemiddeld? Of omvat het een breder gebied? Zelf ervaren hoogbegaafden vaak wat onderzoekers een andere manier van denken noemen. Het denkproces verloopt minder lineair dan bij mensen met een gemiddelde intelligentie en meer ruimtelijk. Het is alsof je vanuit verschillende lagen informatie en vaardigheden haalt en deze bij elkaar brengt. Als je hoogbegaafd bent, herken je je wellicht wel in deze eigenschappen: je legt relaties tussen gebieden die in eerste instantie niet iets met elkaar te maken hebben; je bekijkt graag meerdere opties, bent een creatieve denker, vaak kritisch ten opzichte van jezelf en ander, je neemt niet zomaar alles aan. Deze alerte en kritische houding is kenmerkend voor hoogbegaafden en heeft te maken met de efficiënt werkende hersenen. Het zorgt er ook voor dat je prikkels intens kan waarnemen. Zintuiglijke, cognitieve en emotionele indrukken pik je snel op en omdat je ze snel verwerkt, komen er ook veel prikkels bewust binnen. Het gevaar is wel dat je overprikkelt raakt.

    Hoogintelligent of hoogbegaafd?

    Wetenschappers maken een onderscheid tussen hoogintelligent en hoogbegaafd. Of en hoe iemand hoogbegaafd is, is afhankelijk van een aantal factoren. Een hoog IQ wordt door alle onderzoekers als kenmerkend beschouwd. Of je ook hoogbegaafd bent heeft volgens de onderzoekers te maken met een combinatie van intelligentie met andere eigenschappen. Hieronder een samenvatting van modellen van wetenschappers die intelligentie en hoogbegaafdheid hebben bestudeerd en onderzocht.

    Wetenschappelijke modellen

    Renzulli

    In de jaren zeventig van de vorige eeuw maakte de Amerikaanse psycholoog Joseph Renzulli een model bestaande uit drie ringen. Hij gaat ervanuit dat iemand die hoogbegaafd is beschikt over een bovengemiddelde intelligentie, motivatie (vermogen om een taak te volbrengen) en creativiteit (creatief in het oplossen van problemen).

    Mönks

    Paar jaar later vulde de Nederlandse hoogleraar ontwikkelingspsychologie Franz Mönks het model van Renzulli aan. Hij plaatste de drie cirkels in een driehoekig kader. De driehoek staat voor de omgeving van de leerling: gezin, school en peers. Een omgeving kan een leerling stimuleren of juist tegenwerken in zijn ontwikkeling.

    Heller

    Het model van psycholoog Kurt Heller beschrijft de factoren die van belang zijn bij het wel of niet tot stand komen van prestaties op hoog niveau. Persoonskenmerken die niet cognitief zijn en omgevingsfactoren (moderatoren) hebben invloed op de begaafdheidsfactoren zoals intelligentie en creativiteit (predictoren). De wisselwerking daarvan bepaalt hoe en in welke domeinen (criteria) de hoogbegaafde presteert.

    Gagné

    Francois Gagné ontwikkelde het Gedifferentieerde model van gaven en competenties (Differentiated Model of Giftedness and Talent). Hierin beschrijft hij het proces van potentieel (gaven) naar prestaties (competenties). Hij gaat er vanuit dat een ieder op specifieke domeinen begaafd kan zijn en dat je deze gaven kan ontwikkelen in maatschappelijke relevante en gewaardeerde resultaten. Of en hoe je je talenten ontwikkelt hangt samen met persoonlijkheidskenmerken (fysiek en mentaal), omgeving en toeval.

    Fischer

    De Duitse onderwijswetenschapper Christian Fischer gebruikt de modellen van Mönks, Heller en Gagné als basis voor zijn Integrated Model of Giftedness and Learning (2007). Hierin verwerkt hij ook de theorie van Howard Gardner van de meervoudige intelligenties (Gardner onderscheidt acht type intelligenties). Ook in het model van Fischer zijn persoonlijkheids- en omgevingsfactoren van grote invloed op de prestaties van de hoogbegaafde leerling.

    Delphi

    Het Delphi-model is ontwikkeld door een groep hoogbegaafde hulpverleners, gespecialiseerd in hoogbegaafdheid. Het model is niet per se gericht op de prestaties van de hoogbegaafde maar beschrijft de hoogbegaafde in denken, voelen en doen: hoogintelligent, autonoom en met een rijk geschakeerd gevoelsleven. Ze zien de hoogbegaafde als een snelle en slimme denker, die complexe zaken aankan. Volgens hen is een hoogbegaafd persoon autonoom, nieuwsgierig en gedreven van aard. Een intens levend, sensitief mens die plezier schept in het creëren.

    Ontwikkelen

    Wat al deze modellen gemeen hebben, is het inzicht dat de ontwikkeling van een hoogbegaafd mens niet vanzelf gaat. Een hoge intelligentie is één ding maar het hangt van veel andere factoren af of deze aanleg ook tot volle wasdom komt. Op sommige hiervan heb je invloed als ouder of leerkracht, andere niet. Zaak is juist om de elementen waar je als ouders en professionele opvoeders wel invloed op hebt, zo in te zetten dat een hoogbegaafd kind zich kan ontplooien.

    Bronnen:

    • https://talentstimuleren.nl/thema/begaafdheid/hoog-begaafdheid
    • Een andere kijk op hoogbegaafdheid, Althuizen en anderen, ISBN 978 90 8850 5591, uitgeverij SWP

    elsebeth

    25/03/2019
    maatschappij, onderwijs
    kind, maatschappij, onderwijs
  • Avegoor

    Avegoor

    De hel van Ellecom

    Landgoed Avegoor kent een rijke en zelfs koninklijke geschiedenis. Het prachtige landgoed aan de rand van de Veluwe was in bezit van verschillende eigenaren, totdat stadhouder Willem II het in 1648 aankocht. Het bleef tot 1800 in het bezit van de koninklijke familie. Zij gebruikten het landgoed als buitenverblijf voor de traditionele fazanten- en zwijnenjacht. Na de Franse tijd verkochten de Oranjes het landgoed aan de graaf van het naburige Middachten. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was Avegoor een vakantieoord van de Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst. Vandaag de dag is in het landhuis een hotel-restaurant gevestigd. Bij de oprit naar het hotel herinnert de luisterkei van de Liberation Route nog aan het leed dat hier in de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden.

    Toen Nederland nog maar kort bezet was, liet de Duitse bezetter zijn oog vallen op Avegoor. Eind 1940 namen de Duitsers het landgoed met het statige pand in beslag. Ze richtten hier een opleidingskamp in voor de speciale legereenheid ‘Waffen SS’. Duitse en Nederlandse jongens kregen schietles en deden veel aan sport, zodat ze in korte tijd een goede SS-soldaat konden worden. De hoge Duitse officieren namen naast Avegoor ook huizen in beslag en woonden tussen de Ellecommers in.

    In 2005 vroeg de Oranjevereniging Ellecom aan kinderen uit het dorp om mensen die de oorlog als kind hadden meegemaakt te interviewen over hun ervaringen. Dertien Ellecommers vertelden hun verhaal aan de leerlingen van de Anne Frank school. “Al in het begin van de oorlog kregen de bewoners aan de Laan van Avegoor die geen kinderen hadden, de opdracht hun huis te verlaten. Ze moesten maar zien waar ze bleven,” vertelt één van hen. “In het begin mochten we ons niet met die mensen bemoeien.” Maar zoals dat gaat met kinderen: spelen kun je met iedereen, ongeacht taal of afkomst: “Al gauw speelden die kinderen met ons mee en het duurde niet lang of ze spraken netjes Nederlands tegen ons.”

    De SS-studenten woonden in barakken. De kinderen in het dorp zagen de soldaten oefenen op straat. “Ze hadden zwarte halve leren laarzen aan met ijzerbeslag onder de zolen. Dat ketste op de kinderkopjes van de weg.” “Als ze marcheerden liepen ze met zijn vieren naast elkaar en vlak achter elkaar. De rechtervoet van de één werd naast de linkervoet van zijn voorganger gezet. Je zag dan zo’n groen stampend blok over de weg lopen. Dat zag er best rot uit.”

    In het dorp zelf merkten de kinderen weinig van datgene wat er op Avegoor gebeurde. “Als je naar school ging zag je natuurlijk vaak dat gedoe rond Avegoor. Je zag wel officieren met hoge petten en allemaal zilveren dingen aan hun uniform door het dorp lopen. Maar soldaten eigenlijk weinig. Die zwartjassen, die laffe Landwach­ters en al dat andere vreemde spul, dat was veel beroerder.”

    In 1942 wilden de Duitsers op het landgoed een gymzaal bouwen en sportvelden aanleggen. Hiervoor lieten ze gevangengenomen joodse mannen komen. De 139 joodse dwangarbeiders uit Amsterdam, Rotterdam en Den Haag waren met de trein naar Dieren gebracht. Ze wisten niet wat hen te wachten stond. Op het station werden ze opgewacht door SS’ers met een geweer om de schouder. Deze duwden de joodse mannen hardhandig in een bus. Daar werden ze naar een vervallen leegstaand pand in Ellecom gebracht, Huize Irene. Eén van die joodse mannen was Max Deen. Hij vertelde in 2004 – toen hij 84 jaar was –  aan een journalist van De Gelderlander hoe dat ging. “Alles uitpakken en sorteren, de persoonsbewijzen inleveren. Kaalgeschoren werden we, de trap op geknuppeld. Een dag daarvoor zat ik nog in de nestwarmte van mijn ouderlijk huis.”

    Een Ellecommer herinnert zich hoe de joodse mannen ineens in het dorp opdoken: “Plotseling waren ze er, een grote groep kaalgeschoren mannen op klompen met gekke lange jassen aan en een davidsster op de borst. Een stel schreeuwende soldaten er omheen. Ze sjokten de hoofdingang van Avegoor binnen en werden naar het plantsoen gebracht. Daar moest ze ijzeren kiepkarren met zand vullen die dan over het smalspoor door een paard naar boven werden getrokken. Daar werd het paard er afgehaakt, iemand ging achter op zo’n kar staan en dan ging het naar beneden. Met een stuk hout tussen het frame en een wiel kon er geremd worden. De lege karren werden dan weer door paarden naar boven gebracht. Zo werd het glooiende plantsoen in een strak waterpas liggend grasveld veranderd. De grote massa zand werd zo verplaatst naar achter in de Els. Het werd de ondergrond voor de te bouwen turnhal. In nauwelijks drie maanden tijd was al het grondwerk voltooid.” De joodse dwangarbeiders moesten keihard werken, kregen nauwelijks te eten. De SS- studenten treiterden de mannen voortdurend. Als ze niet snel genoeg waren, kregen ze slaag. Max Deen vertelde erover: “Palestina noemde de SS die zolder.” Diezelfde SS liet ze graag heen en weer rennen. “Zolder op, zolder af, bed in, bed uit. Sport machen, noemden ze dat.”  De SS’ers pesten de joodse mannen door het zware werk dat ze hadden gedaan weer ongedaan te maken. Ze keken toe hoe de dorstige en hongerige mannen werkten terwijl ze zelf gebakjes aten en bier dronken. Al snel waren de joodse arbeiders uitgeput en uitgemergeld. Max Deen: “Na zes weken viel de eerste dode en waren er 36 mannen doodziek.”

    Iedere dag moesten de joodse mannen van hun slaapplaats naar het landgoed lopen. De Duitsers wilden niet dat de mensen in het dorp zagen hoe ze met deze mannen omgingen. Dus moesten de Ellecommers de gordijnen dicht doen als de afgepeigerde mannen voorbijkwamen. Maar toch vingen de Ellecommers wel eens een glimp op. “Tussen lege kisten door die bij Brinkhorst de groenteboer voor de deur stonden, zag ik ze voorbij sjokken. Ouwe gebogen mannen. Het was een naar gezicht. Maar veel erger waren die bewakers. Zij schreeuw­den. Ik kon ze niet verstaan. Maar ze schreeuwden. Ze schreeuwden tegen die mensen. Die bewakers hadden bolle koppen met een helm er omheen. En een geweer met een bajonet. En ze schreeuwden maar. En die mensen sjokten maar door. Op klompen. Gebogen. Met hun armen bungelend langs hun grijze jas.”

    “De weg werd afgezet en de mensen werden naar binnen gejaagd als de dwangarbeiders ’s morgen en ’s avonds over de straat moesten. Wie niet goed mee kon werd met knuppelslagen tot spoed gemaand. Een meisje op school, ik geloof Lies Hofman, kwam volledig overstuur op school toen ze gezien had hoe één van die mensen werd neergeknuppeld.”

    Dat mensen zo wreed konden zijn was voor de Ellecomse kinderen niet te behappen. “Met de komst van de joden vielen wij met een geweldige klap in een wereld die ons totaal onbekend was. Thuis moesten de gordijnen dicht en in stomme verbazing stond ik daar tussendoor te gluren naar wat zich buiten afspeelde.”

    Het bestaan van concentratiekampen, van martelingen, van Jodenvervolging, laat staan van gaskamers en massa-executies was ons volkomen onbekend. Ook onze ouders hadden daar geen flauw idee van. Anders hadden we er in een onbewaakt ogenblik wel eens over horen praten.”

    “Het kan niet waar zijn dat die bewakers ooit een moeder gehad hebben, zei mijn oma. Daar heb ik toen als kind vaak over nagedacht. Zouden ze in Duitsland iets hebben waar zulke wezens uit tevoorschijn kwamen? Een enge grot of een griezelig beest of zoiets.”

    Drie joodse mannen zijn in Ellecom overleden, vermoedelijk door uitputting, mishandeling en uithongering. Jacob de Lion, Alfred Tuvij en Meier Groot zijn door de Duitsers – uit het zicht voor de dorpsbewoners- begraven op de Bijzondere Begraafplaats Ellecom. Het hoofd van de school aan de Zutphensestraat hield bij één van de begrafenissen de leerlingen binnen, maar liet hen op tafels staan, zodat ze de stoet langs konden zien komen. De Duitsers ontdekten dat. “Niet lang daarna kwam een stel Duitse soldaten de schoolgang binnenstampen en werd de meester meegenomen. De volgende dag stond hij weer voor de klas. Ik heb er nooit een woord van hem over gehoord.”

    Na drie maanden zat het werk van de joodse dwangarbeiders erop. Max Deen: “Met een gemiddeld gewicht van 35 kilo werden we na elf weken op transport naar Westerbork gesteld.” Daarna werden de mannen naar een vernietigingskamp in Duitsland gebracht waar de meeste mannen alsnog zijn vermoord. In totaal hebben slechts 33 van 139 mannen de oorlog overleefd.

    Na de oorlog kwamen de joodse mannen die de oorlog hadden overleefd regelmatig terug naar het dorp om hun vrienden te herdenken. In 1948 legden de Ellecommers samen met een aantal overlevenden een herdenkingssteen over de graven van de drie overleden mannen. In 1989 maakte de Ellecomse beeldhouwer Harry de Leeuw het Joods Monument Ellecom. Dit staat bij Huize Irene.

    Max Deen kwam in 2004 terug op de zolder van Huize Irene waar hij en zijn 138 kameraden in de oorlog overnachtten. “Verdriet voel ik hier. Maar ik ben ook blij, omdat jullie me omgeven met liefde.


    Foto: Monument ter herinnering aan de joden die hier geleden hebben en de drie mannen die gestorven zijn. Ontworpen door Harry de Leeuw. Dit artikel heb ik geschreven voor de lesbrief Avegoor bij de Liberation Route.

    Bronnen:

    • Terugblik ’40-’45, maandblad van de documentatiegroep ’40-’45, 46e jaargang nr. 9
    • De Gelderlander van 15-10-2004, ‘Erger dan Ellecom kon de hel op aarde niet zijn’, Harry van der Ploeg
    • Ellecommers in de oorlog, uitgave van Oranjevereniging Ellecom, 2005

    elsebeth

    05/02/2019
    erfgoed, mens, onderwijs
    erfgoed, onderwijs, taal, WOII
  • Heb ik contact?

    Heb ik contact?

    Smartwise

    Jongeren van nu zijn niet hetzelfde als die van tien jaar geleden. Recent onderzoek wijst uit dat kinderen zich anders bewegen in hun sociale wereld. Ze ontmoeten elkaar minder in levende lijve en meer online, gaan minder vaak uit en beginnen later met seks. Kortom, sinds de opkomst van sociale media en smartphone is er een hoop veranderd voor jongeren. Het kan niet anders of dit heeft gevolgen voor het onderwijs.

    Old school

    Vanwege de lange ontwikkeltijden en de behoudende cultuur bij veel onderwijsinstellingen en educatieve uitgeverijen springt het huidige lesmateriaal nog niet op deze ontwikkelingen in. Ook het generatieverschil tussen onderwijsmakers en leerlingen speelt mee. We zijn gewend te leren via (vooral) geschreven teksten die in een herkenbare vorm zijn opgebouwd waarbij het duidelijk is wanneer je moet stampen, studeren of begrijpen. Tegenwoordig komt informatie van alle kanten en zeker niet alleen via school of het dagblad bij de ouders thuis. Jongeren vinden op zoveel meer plekken informatie die ze binnen een sociale context met elkaar delen. Het gevolg is dat hun wereld groot is terwijl hun perspectief nog klein is.

    Bottom-up

    De huidige lesmethodes hebben een formele lesopbouw waarbij je kennis stapelt. Je geeft niet meteen alle informatie prijs, maar bouwt steen voor steen de lesstof op. Het is een lineair proces: eerst dit, dan dat. Elke jaargang zoomt de stof verder in op de onderwerpen en pas aan het eind van de schoolcarrière heeft de leerling het gewenste peil bereikt. Deze bottom-up opbouw van een methode is tegenovergesteld aan de informele manier waarop jongeren informatie verzamelen. Voor hen bestaat kennis vergaren niet langer uit het stapelen van informatie, maar maken ze eerder een construct uit naast elkaar bestaande bronnen die ook nog eens verschillend van gewicht zijn.

    Het onderwijs speelt hier niet, nauwelijks of pas vrij laat in hun schoolcarrière op in. Het zou zich veel meer en ook eerder moeten richten op het ordenen en duiden van informatie. Nu gebeurt dat vaak pas in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Dat het leren duiden van informatie pas zo laat aan de orde komt, heeft onder andere te maken met hoe we de leraar zien als deskundige en als filter. Dat heeft op zijn beurt weer te maken met die bottom-up benadering. Het komt niet uit als een onderwerp te veel uitwaaiert, want dan kom je in de knel met je stapsgewijze programma. Terwijl ondertussen de invloed van de leraar niet veel verder reikt dan de drempel van zijn klas, omdat de leerlingen op andere plekken ongefilterd informatie krijgen te zien of te horen die zich al dan niet mengt met dat wat ze in de schoolbanken hebben gehoord.

    Top-down

    Het is echt tijd om over te gaan van de bottom-up naar een top-down benadering. Laat leerlingen bij de start zien wat het onderwerp behelst in de hele leergang en toon ze welke thema’s aan het onderwerp verwant zijn. Zodat ze, wanneer ze in hun sociale omgeving met allerlei (maatschappelijke) onderwerpen in aanraking komen, zien dat deze ook binnen de lesstof van school terugkomen. Dat het echte leven en school in elkaars verlengde liggen. Wat zich momenteel – in de ogen van de scholier- op verschillende planeten lijkt af te spelen, waardoor hij denkt dat schoolstof niet iets is wat je in het leven kunt toepassen, hetgeen zijn motivatie geen goed doet. Laat leerlingen dus de horizon zien en geef ze ook zicht op hoe ze die gaan of kunnen bereiken. Hoe, wanneer, in welke stappen en in welke snelheid ze die gaan bereiken is aan leerling en docent. Bijkomend voordeel van zo’n top-down benadering is dat je al in de aanpak differentieert naar niveau en bijvoorbeeld de slimme of gemotiveerde leerling de kans geeft stappen over te slaan of te versnellen.

    Daarnaast is een top-down benadering zoveel praktischer als je overkoepelend wilt werken in vakken en projecten. Onderwerpen binnen de geografie zijn niet los te zien van onderwerpen binnen de geschiedenis (zoals kolonisatie, industrialisatie en urbanisatie) of biologie (zoals milieu), et cetera. Ook competenties als argumenteren, logisch denken, mediawijsheid en debatteren zijn niet alleen onderwerpen voor in de Nederlandse les, maar zouden verweven moeten zijn met alle vakken in de hele leergang. Sta open voor verschillende manieren waarop leerlingen de kennis kunnen vergaren en toepassen. Speel in op de verschillende leerstijlen. En zorg dat de wereld buiten school aansluit bij wat er binnen gebeurt.

    Deze ontwikkeling is nu gaande en ook toekomstige jongeren begeven zich steeds meer online in een voor hen levensechte digitale wereld. Wil je het contact met deze doelgroep houden, dan is het nodig om structureel te innoveren binnen het onderwijs. Dus niet talmen, er is werk aan de winkel.


    Verder lezen:

    • Zweeds experiment op school met nepnieuws-lessen
    • Psychologie hoogleraar Jean M. Twenge over de generatie iGen en de smartphone
    • Steeds later beginnen aan seks

    elsebeth

    12/09/2017
    maatschappij, mens, onderwijs
    maatschappij, media, mens, onderwijs

contact

bel, app of schrijf

06 50 83 42 51

post [at] elsebethhoeven.nl

Pontanuslaan 68 Arnhem

socials

linkedin
instagram
substack
© 2026 | elsebeth hoeven – tekst & beeld